In een column in de Poëziekrant (jg.50, nr.3, blz. 63) van juli-september 2026 schrijft Peter Verhelst over de Biënnale van Venetië 2026 die opent met een tweeluik, een schilderij van de Senegalese Issa Samb en een gedicht van de Palestijn Refaat Alarir. Verhelst citeert uit de begeleidende tekst van dat kunstgebeuren : "...dichters kijken verder dan het zicht reikt, meten de tijd buiten de conventies van de kalender om; zij kijken vooral naar daden, vergeven mislukkingen en geloven in herstel." Verhelst stapt in het spoor van het Xhosa-volk (een etnische groep in Zuid-Afrika) die dichters ziet als hoeders van cultuur, kennis en geschiedenis. Die herinneren de mensen eraan wat de mensen heeft gemaakt tot wie ze zijn. Verhelst plaatst het gedicht van Alarir in die traditie en bezorgt zelf een vertaling van dat vers, dat voor zich spreekt.
Als ik moet doodgaan,
moet jij leven
om mijn geschiedenis te vertellen
om mijn spullen te verkopen
om een stuk stof te kopen
en wat touwtjes
(maak er een witte van met een lange staart)
zodat een kind, ergens in Gaza
terwijl het de hemel in de ogen kijkt
wachtend op zijn vader die in een vuurzee verdween -
en van niemand afscheid nam
zelfs niet van zijn vlees
zelfs niet van zichzelf -
de vlieger ziet, mijn vlieger die jij hebt gemaakt, hoog in de lucht vliegend
en even denkt dat daar een engel is
die liefde terugbrengt
Als ik moet doodgaan
laat het dan hoop brengen
laat het een verhaal zijn.













