dinsdag 10 februari 2026

Musée de Flandre Cassel

 Midden het relatief vlakke land van Frans-Vlaanderen ligt de eenzame getuigenheuvel die we kennen onder de naam Kasselberg. 
Vanop de berg heb je dan ook een panoramisch zicht over de gehele streek over 360°. Bij mooi weer altijd weer even adembenemend, maar zelfs tijdens een grijze dag in januari blijft het uitzicht de moeite.
(eigen foto - zicht vanuit museum naar zuiden op een grijze 23 januari)


Deze heuvel heeft, gezien zijn ligging, altijd een militair belang gehad. De heuveltop werd bebouwd en kreeg in de middeleeuwen tot aan Wereldoorlog I toe een belangrijke strategische waarde.
In het plaatselijke museum "Musée départemental de Flandre" wordt deze bewogen geschiedenis gedocumenteerd, maar naast deze lokale (en ruimere) historische insteek is er ook ruimte voor 'Vlaamse' kunst.
Hier een humoristisch schilderij van Abraham Teniers (Antwerpen 1629-1670), een typisch werk voor hem die gespecialiseerd was in genrestukken met apen!
Gezien de huidige wereldsituatie waar zovele machthebbers graag oorlogje spelen, blijft dit werk wel héél actueel.
(Abraham Teniers : Apen bootsen soldaten na ca. 1660-1670 - eigen foto)

(detail uit bovenvermeld schilderij - eigen foto)


zondag 8 februari 2026

Gedateerd - acht februari

 


De Spaanse dichter Federico Garcia Lorca 
was 22 jaar toen hij dit vers schreef. 
Op deze dag, nu exact 126 jaar geleden, 
daagde het hem 
dat zijn onbezorgde jeugd voorgoed voorbij was. 
Een moment vol weemoed 
voor deze vroegrijpe schrijver en dichter.

ER ZIJN ZIELEN MET...

      8 februari 1920

Er zijn zielen met
Blauwe lichtsterren,
Verlepte ochtenden
Tussen bladeren van de tijd,
En kuise hoekjes
Die een oud geluid
Bewaren van weemoed
En dromen.

Er zijn andere zielen met
Pijnlijke spookbeelden
Van passies. Wormstekige
Vruchten. Echo's
Van een verbrande stem
Die van ver komt
Als een rivier
Van schaduw. Herinneringen
Leeg van tranen,
En kruimels van kussen.

Al een hele tijd
Is mijn ziel rijp,
En brokkelt troebel
Van mysterie af.
Aangevreten door illusie
Vallen stenen
Uit de jeugd in het water
Van mijn gedachten.
Iedere steen zegt :
God is heel ver!

(uit: Lorca, Federico Garcia, Verzamelde gedichten. Vertaald en toegelicht door Bart Vonck, met een nawoord van Hagar Peeters,
Amsterdam, uitg. Athenaeum - Polak & Van Gennep, 2009, blz. 71-72)

vrijdag 6 februari 2026

Onweerstaanbaar

 Onweerstaanbaar zal de lente doorbreken, opspringen, ook al is het nu nog grijs en kil.
De eerste tekenen zie ik al in de kleine stadstuin die ik mag koesteren.
Zie maar mee... 
De knollen van de voorjaarsbloeiers 
die ik in november aan de grond heb toevertrouwd 
beginnen te piepen tussen de houtschors.



De camelia knopt al volop.
Hoe geruststellend dat na de winter 
de lente komt, altijd weer, 
altijd eender en altijd anders.


woensdag 4 februari 2026

Dichtersaccolade in de poëzieweek - Möhlmann omarmt Kopland


 In deze week van de poëzie breng ik elke dag niet één, maar twee dichters onder de aandacht, waarbij de ene duidelijk zijn beïnvloeding door de andere toont én zo zijn waardering en bewondering tot uiting brengt.

 De Nederlandse dichter Thomas Möhlmann publiceerde in 2017 bij Prometheus Amsterdam de bundel Ik was een hond. Het tweede deel uit deze bundel is een cyclus van meer dan twintig gedichten met allemaal een titel die begint met 'we' onder de overkoepelende titel Alle vogels die hun vleugels uitslaan. Hierover meldt Möhlmann dat deze gedichten werden geschreven voor of dank zij een aantal mensen. Bij het gedicht We meten (blz. 55) noteert de dichter de naam van dichter Rutger Kopland (1934-2012).
Kopland publiceerde in 1975 de bundel Een lege plek om te blijven waar alle verzen cirkelen rond thema's als rouw, gemis, leegte. Het kortste gedicht uit deze bundel vertolkt in vier regels de sfeer van de hele bundel.

XIV

Ga nu maar liggen liefste in de tuin,
de lege plekken in het hoge gras, ik heb
altijd gewild dat ik dat was, een lege
plek voor iemand, om te blijven.



Möhlmann mijmert, parafraseert, borduurt verder, herkauwt 
in zijn gedicht 'We meten' de thema's van de bundel van Kopland. 
Dat vers is als het ware Kopland herbekijken 
doorheen de ogen en de pen van Möhlmann. 
Een parafrase die tegelijk een eerbetoon is aan zijn voorbeeld.

WE METEN

We vormen helemaal geen gaten in het landschap, we
vullen de leegte met ons koppig overeindstaan op

we passen en maken elkaar terwijl we omvallen
van het lachen met coördinaten en formules

minder bang, zelfs als we wilden konden we nergens
anders dan in onze eigen omtrek en elkaars gezelschap

schuilen, ik heb helemaal niemand nodig om niet zonder
je te kunnen, we moeten blijven ademen, tasten, strelen

we jagen of slapen, plukken elkaars grijze haren eruit
onze laarzen zakken steeds verder in de modder weg

we trekken grenzen, lachen en vervagen en alles
alles is zo scherp en helder en eenmalig om ons heen.



dinsdag 3 februari 2026

Dichtersaccolade in de poëzieweek - Gerhardt omarmt Nijhoff

 

In deze week van de poëzie breng ik elke dag niet één, maar twee dichters onder de aandacht, waarbij de ene duidelijk zijn beïnvloeding door de andere toont én zo zijn waardering en bewondering tot uiting brengt.

De Nederlandse dichteres Ida Gerhardt (1905-1997) volgde een eigenzinnige weg binnen de literatuur. Ze was lerares klassieke talen en haar begeestering voor de klassieken spreekt uit heel haar oeuvre  (inhoudelijk én naar vorm). Haar werk heeft vaak een metafysische en religieuze ondertoon én daarbij herkende ze zich ook in de wat oudere vertaler en dichter Martinus Nijhoff (1894-1953). 
Zo schreef ze in haar bundel De slechtvalk (1966) over Nijhoff.
Er zijn veel verwijzingen doorheen dit gedicht. Het begint al met de titel 'Voor dag en dauw', die ook titel is van een cyclus van acht sonnetten die Nijhoff in 1936 opdroeg aan de filosoof Johan Huizinga, die kort daarvoor een cultuurfilosofisch werk had geschreven over zijn tijd (de jaren 30 van vorige eeuw) met als titel 'In de schaduwen van morgen'. Donkere tijden tussen pessimisme en hoop zoals ook het beeld dat Gerhardt uitwerkt over tussen maan en dageraad. Zij herkende zichzelf ook in het christelijke geloof zoals ook Nijhoff: de beeldspraak van de nacht van de dood die overgaat in een nieuwe dag vol ongerept licht. En de centrale apart gezette zin vinden we ook terug in de titel van een bloemlezing uit gedichten van Nijhoff Lees maar, er staat niet wat er staat (uitg. Bert Bakker, Ooievaarreeks 191/192).

VOOR DAG EN DAUW
                                           In Memoriam M. Nijhoff

Wel elke ochtend ligt de dauw
over uw verzen, als dien dag
dat morgenlijk uw hand hen schiep.
De donkere wereld merkt het nauw,
maar wie niet tot de morgen sliep
leest tussen maan en dageraad
de bladzij die hij éénmaal zag
en sedert leest met de ogen dicht.

'Er staat geschreven wat er staat.'

En wat uw taal heeft aangeraakt,
thans is het aan uzelf verricht:
de dag, die uit de nacht ontwaakt,
de dauw, het ongerepte licht.
(Gerhardt, Ida, Verzamelde Gedichten, Uitg. Athenaeum-Polak & Van Gennep, Amsterdam, 1985, blz. 436)



maandag 2 februari 2026

Dichtersaccolade in de poëzieweek - Altink omarmt Slauerhoff

 


In deze week van de poëzie breng ik elke dag niet één, maar twee dichters onder de aandacht, waarbij de ene duidelijk zijn beïnvloeding door de andere toont én zo zijn waardering en bewondering tot uiting brengt.

In het laatste nummer van Het Liegend Konijn (2025/2, blz. 20) schreef de dichteres Isa Altink (1994) een vers "bij : 'De terugkeer 1', J. Slauerhoff, uit De zee een lied). Slauerhoff (1898-1936) was scheepsarts en één van de belangrijkste Nederlandstalige dichters van het interbellum. Soms wordt hij bestempeld als een 'vitalist', iemand die schrijft van een levensdrift en verlangen om vurig en gevaarlijk te leven. Zijn zwakke gezondheid deed hem telkens weer voor enige tijd terugkeren naar het vasteland, maar eenmaal wat beter werd hij weer getrokken naar het avontuurlijke leven op zee. Een rusteloze man, altijd op weg, altijd op zoek, ook als dichter.
In het vers van Altink is dit zwervende, dichterlijke, zoekende leven prominent aanwezig. Zij zoekt hoe haar leven en dichterschap zich verhoudt tot haar voorbeeld. Ze ziet gelijkenissen en verschillen. Via Altink adem je Slauerhoff mee in.

En waar heb ik gezocht? Niet veel op zeeën
wel wat in bossen, misschien tweemaal een berg.
Vannacht nog wees ik reizigers de weg naar een plek om te slapen
op kisten, matten, bedekte oppervlakten, tussen andere reizigers.
Veel bloemen waren daar niet, maar er was water, donker
waar wij ons omheen manoeuvreerden.
Zwerf ik in mijn geheugen, in een tropisch seizoen
in een wijnrood veld, naar de kust die jij
voor ons schetste: uitgestrekte weelde, bloesem
woekerend gras. Steeds mysterieuzer aan het worden
in dit beton waar je voeten verzinken. Ook ik zoek een moment
waarop ik volmaakt aanwezig was. Ben de gastvrouw
in mijn dromen die het licht uitdoet.
Die in jou een bloem denkt te zien
die je dichthoudt. Ergens is het, de weelde
dit veld vol papavers. Bloeien alleen
in het ritselend donker, alleen in de onstuimige nacht.



zondag 1 februari 2026

Dichtersaccolade in de poëzieweek - Gelman omarmt Baudelaire

 

 In deze week van de poëzie breng ik elke dag niet één, maar twee dichters onder de aandacht, waarbij de ene duidelijk zijn beïnvloeding door de andere toont én zo zijn waardering en bewondering tot uiting brengt.

Er zijn dichters van alle slag en soort, het zijn nu eenmaal ook mensen. Sommige dichters beleven hun dichterschap naast een eerder kleurloos baantje als ambtenaar (vb. Anton Korteweg) of als leraar (vb. Anton van Wilderode) of... Andere dichters leven een 'kleurrijker' of een dramatischer leven. Twee zo'n dichters ontmoeten elkaar hier vandaag. Er is de Argentijnse dichter Juan Gelman (1930-2014). Zijn naam verraadt al dat hij géén hispanic-roots heeft. Zijn ouders waren Oekraïense Joden en thuis werd er Jiddisch en Russisch gesproken, terwijl hij in een voorstad van Buenos Aires in het Spaans school liep. Via zijn vijftien jaar oudere halfbroer hoorde hij als kleuter veel Russische gedichten voordragen en die klanken intrigeerden de jonge Juan. Net als zijn vader werd Juan politiek actief in linkse kringen. Na de machtsovername door de militairen in 1976 werd Gelman politiek vluchteling. De militairen ontvoerden vele tegenstanders en hun familieleden. In 1976 ontvoerden ze de zoon van Gelman en diens hoogzwangere vrouw... Beiden werden nooit teruggevonden. Gelman werkte in Europa, bij de UN in New York en in Mexico voor hij uiteindelijk terug Argentinië kon bezoeken. In 2007 ontving hij de belangrijkste literatuurprijs in de Spaanssprekende wereld, de Cervantesprijs. Hij zou in Mexico stad sterven in 2014.
Dank zij de uitgeverij P (Leuven) verscheen er een bloemlezing uit het werk van Gelman. De hiervolgende 'Comentario LIII' is vertaald door Stefaan van den Bremt.
Deze 'comentario' of kanttekening roept de figuur op van de Franse 'decadente'  dichter (symbolist-modernist) Charles Baudelaire (1821-1867). Die dichter had een turbulent bohemien leven, waarbij hij al het geld dat hij uit zijn stiefvaders fortuin had opgeëist er in twee jaar heeft doorgejaagd. Sex, drugs (o.a absint) en schandalen bezorgden hem een unieke plaats in de Franse en Europese literatuur, reeds bij leven. Dit heftige leven eiste een hoge tol. Zijn hersenen werden aangetast, hij werd eenzijdig verlamd, leed aan afasie en syfilis. Zo stierf hij na een heftig ziekbed op 46 jaar.  Die heftige passies en woelige levensloop weet Gelman goed te suggereren in zijn vier maal vierregelig gedicht.

KANTTEKENING  LIII (baudelaire)

nu vrij van honger / zuiver / zachtjes
brand jij mijn ziel op als de dag
dat niemand nog ergens om vraagt /
en liefde niet meer is als honden /

zoals een stad belegerd om
er jou te zien of dood te gaan /
of zoiets van jou omklemmen als
toegift en herfstkleur van verlangen /

of als een zoen die wachten doet /
of almaar uitdijende lichtheid
die jou aanraakt / die jou opzoekt
en al dat lijden nog niet moe is /

of onder jouw lichaam als zot
uitslaande brand van liefdes aders /
als een clausuur / als dichte nacht
die in jouw stilte neer ging knielen

(uit :Gelman, Juan, Plaatsen & Kanttekeningen. Citas y Comentarios.
Uit het Spaans vertaald door Stefaan van den Bremt & Guy Posson, uitg. P, Leuven, 2008, blz. 58)