Heel dikwijls zijn dichters nog het meest verwonderd over het dichten zelf. Dan hebben gedichten het maken van gedichten tot thema. Er gebeurt iets met en in de dichter die hijzelf/zijzelf niet kan bevatten. Je zou hele bloemlezingen kunnen samenstellen met gedichten die cirkelen rond het geheim van de poëzie.
Zo ook is dit zomerse gedicht van Bert Voeten (1918-1992) een ode aan het schrijven.
DE ZON OP MIJN HAND
Schrijvend met de zon op mijn hand
ademend tussen blote woorden
op de strandwei van het papier
zie ik een kind door de regels lopen,
zorgeloos, met ogen die alles
drinken tot op de bodem. Alles.
Als ik het roep bij mijn eigen naam
blijft het even tussen twee zinnen
wachten, kijkt mij verwachtend aan,
ledigt mij en laat mij achter:
dorstend boven een zee van taal.
(uit : Het broeien van de zomer. Zomergedichten. Ingeleid door Menno Wigman. Amsterdam, uitg. 521, 2001, blz. 35)
Zo kan je ook dit schilderij van de Rotterdamse artiest Jan Schaeffer (1923-2018) lezen met kinderen die 'alles drinken tot op de bodem', omdat ze helemaal opgaan in hun spel met zand en water.


-m-001.jpg)














