zaterdag 14 februari 2026

Van Gogh over schilderen

 Ik ben al enkele maanden bezig met het lezen van de brieven van Vincent Van Gogh (Mercatoruitgave 2009). Deze brieven tonen hoe de mens en de kunstenaar Van Gogh zoekt om te (over)leven in en met en dank zij en ondanks de kunst. Wanneer hij zich in mei 1889 vrijwillig laat opnemen in een instelling in Saint-Rémy-de-Provence worden hem heel wat dagelijkse zorgen uit handen genomen en zie je hoe hij uitvoerig in zijn brieven doordenkt over zijn leven en het kunstenaarschap. Op 10 september 1889 schrijft hij over zijn pogingen om in zijn schilderijen weer te geven wat hij voelt en denkt bij bepaalde landschappen of figuren. Zeer parallel aan wat Kandinsky ruim twintig jaar later zal nastreven in zijn werken (zie berichten van januari laatst). 
Het is treffend om te ontdekken hoe twee totaal verschillende artiesten in een gelijklopende zoektocht gewikkeld zijn.
Van Gogh schrijft aan zijn broer Theo :
"Wat is de toets, de penseelstreek toch iets merkwaardigs. In de openlucht blootgesteld aan de wind, de zon en de nieuwsgierigheid van de mensen werk je zo goed als je kunt, je beschildert je doek als een bezetene. Toch krijg je dan het ware en wezenlijke te pakken - dat is het moeilijkste. Maar als je die studie na enige tijd weer oppakt en de penseelstreken ordent overeenkomstig de onderwerpen - dan is dat natuurlijk harmonieuzer en aangenamer om te zien en daar voeg je dan je sereniteit en glimlach aan toe.
Ah, nooit zal ik in staat zijn mijn indrukken weer te geven van sommige figuren die ik hier gezien heb. Natuurlijk is dit de weg waar iets nieuws ligt, de weg van het Zuiden, maar de mensen van het Noorden kunnen er maar moeilijk toe doordringen. En ik weet al bij voorbaat dat ik op de dag dat ik enig succes zal hebben, zal verlangen naar mijn eenzaamheid en wanhoop van hier, toen ik door de ijzeren tralies van mijn cel de maaier beneden in het veld zag. Geen kwaad zonder baat." (Vincent Van Gogh De brieven, deel 5, blz. 92,  brief 801)  
(Eug. Delacroix :
Le Christ endormi pendant la tempête
ca. 1853 - ©Wiképedia)


Even verder noemt hij Eugène Delacroix zijn grote voorbeeld.
"En weet jij waarom de schilderijen van Eug. Delacroix - de religieuze en de historische schilderijen, La barque du Christ, de Piëta, Les croisés, zoveel allure hebben? Omdat Eugène Delacroix, als hij een Gethsemane maakt, vooraf ter plaatse is gaan kijken wat dat is, een olijfgaard en zo ook voor de zee die wordt geteisterd door een hevige mistral en omdat hij beseft moet hebben dat die mensen waarover de geschiedenis ons verhaalt, dogen van Venetië, kruisvaarders, apostelen, heilige vrouwen, van hetzelfde soort waren en op een vergelijkbare manier leefden als hun huidige afstammelingen." (ibidem)
Zo zien we hoe schilders vanuit verschillende achtergronden, in andere tijden en contexten verlangen om uitdrukking te geven aan hoe zij de wereld en hun leven beleven.

donderdag 12 februari 2026

Vlaamse kunst in Cassel Musée départementale de Flandre

 In het Noord-Franse stadje op de berg, Cassel, toont het museum 'Vlaamse kunst' van vroeger en nu.
Naast oude schilders zoals Bosch, Jan Fyt, Teniers, Rubens, Van Dyck zijn er ook hedendaagse 'Vlaamse' artiesten te zien.
Zo is er een heel mooi werk van Thierry de Cordier (1954) met een spookachtig/sprookjesachtig landschap waar je als kijker kunt in verdwalen. Op de voorgrond op het doek lezen we in witte letters Lors la beauté s'enfuit en het werk draagt als titel Verdure folle N°1.
Een boeiend werk dat intrigeert en uitnodigt lang te kijken.
(Thierry de Cordier - Verdure Folle N°1 - eigen foto)


Een andere hedendaagse Vlaamse artiest is Wim Delvoye (1965) met de vergulde sculptuur Möbius Dual Corpus Direct Current. We zien getorste kruisen in een eeuwigkronkelende beweging. Op de achtergrond een 16e eeuws schilderij met het verraad van Christus door Judas, die hem een kus geeft.
(vooraan Delvoye en achteraan de Judaskus - eigen foto)


Ook al ligt het museum op een top, het is geen topmuseum, maar het is een bezoek zeker meer dan waard.

dinsdag 10 februari 2026

Musée de Flandre Cassel

 Midden het relatief vlakke land van Frans-Vlaanderen ligt de eenzame getuigenheuvel die we kennen onder de naam Kasselberg. 
Vanop de berg heb je dan ook een panoramisch zicht over de gehele streek over 360°. Bij mooi weer altijd weer even adembenemend, maar zelfs tijdens een grijze dag in januari blijft het uitzicht de moeite.
(eigen foto - zicht vanuit museum naar zuiden op een grijze 23 januari)


Deze heuvel heeft, gezien zijn ligging, altijd een militair belang gehad. De heuveltop werd bebouwd en kreeg in de middeleeuwen tot aan Wereldoorlog I toe een belangrijke strategische waarde.
In het plaatselijke museum "Musée départemental de Flandre" wordt deze bewogen geschiedenis gedocumenteerd, maar naast deze lokale (en ruimere) historische insteek is er ook ruimte voor 'Vlaamse' kunst.
Hier een humoristisch schilderij van Abraham Teniers (Antwerpen 1629-1670), een typisch werk voor hem die gespecialiseerd was in genrestukken met apen!
Gezien de huidige wereldsituatie waar zovele machthebbers graag oorlogje spelen, blijft dit werk wel héél actueel.
(Abraham Teniers : Apen bootsen soldaten na ca. 1660-1670 - eigen foto)

(detail uit bovenvermeld schilderij - eigen foto)


zondag 8 februari 2026

Gedateerd - acht februari

 


De Spaanse dichter Federico Garcia Lorca 
was 22 jaar toen hij dit vers schreef. 
Op deze dag, nu exact 126 jaar geleden, 
daagde het hem 
dat zijn onbezorgde jeugd voorgoed voorbij was. 
Een moment vol weemoed 
voor deze vroegrijpe schrijver en dichter.

ER ZIJN ZIELEN MET...

      8 februari 1920

Er zijn zielen met
Blauwe lichtsterren,
Verlepte ochtenden
Tussen bladeren van de tijd,
En kuise hoekjes
Die een oud geluid
Bewaren van weemoed
En dromen.

Er zijn andere zielen met
Pijnlijke spookbeelden
Van passies. Wormstekige
Vruchten. Echo's
Van een verbrande stem
Die van ver komt
Als een rivier
Van schaduw. Herinneringen
Leeg van tranen,
En kruimels van kussen.

Al een hele tijd
Is mijn ziel rijp,
En brokkelt troebel
Van mysterie af.
Aangevreten door illusie
Vallen stenen
Uit de jeugd in het water
Van mijn gedachten.
Iedere steen zegt :
God is heel ver!

(uit: Lorca, Federico Garcia, Verzamelde gedichten. Vertaald en toegelicht door Bart Vonck, met een nawoord van Hagar Peeters,
Amsterdam, uitg. Athenaeum - Polak & Van Gennep, 2009, blz. 71-72)

vrijdag 6 februari 2026

Onweerstaanbaar

 Onweerstaanbaar zal de lente doorbreken, opspringen, ook al is het nu nog grijs en kil.
De eerste tekenen zie ik al in de kleine stadstuin die ik mag koesteren.
Zie maar mee... 
De knollen van de voorjaarsbloeiers 
die ik in november aan de grond heb toevertrouwd 
beginnen te piepen tussen de houtschors.



De camelia knopt al volop.
Hoe geruststellend dat na de winter 
de lente komt, altijd weer, 
altijd eender en altijd anders.


woensdag 4 februari 2026

Dichtersaccolade in de poëzieweek - Möhlmann omarmt Kopland


 In deze week van de poëzie breng ik elke dag niet één, maar twee dichters onder de aandacht, waarbij de ene duidelijk zijn beïnvloeding door de andere toont én zo zijn waardering en bewondering tot uiting brengt.

 De Nederlandse dichter Thomas Möhlmann publiceerde in 2017 bij Prometheus Amsterdam de bundel Ik was een hond. Het tweede deel uit deze bundel is een cyclus van meer dan twintig gedichten met allemaal een titel die begint met 'we' onder de overkoepelende titel Alle vogels die hun vleugels uitslaan. Hierover meldt Möhlmann dat deze gedichten werden geschreven voor of dank zij een aantal mensen. Bij het gedicht We meten (blz. 55) noteert de dichter de naam van dichter Rutger Kopland (1934-2012).
Kopland publiceerde in 1975 de bundel Een lege plek om te blijven waar alle verzen cirkelen rond thema's als rouw, gemis, leegte. Het kortste gedicht uit deze bundel vertolkt in vier regels de sfeer van de hele bundel.

XIV

Ga nu maar liggen liefste in de tuin,
de lege plekken in het hoge gras, ik heb
altijd gewild dat ik dat was, een lege
plek voor iemand, om te blijven.



Möhlmann mijmert, parafraseert, borduurt verder, herkauwt 
in zijn gedicht 'We meten' de thema's van de bundel van Kopland. 
Dat vers is als het ware Kopland herbekijken 
doorheen de ogen en de pen van Möhlmann. 
Een parafrase die tegelijk een eerbetoon is aan zijn voorbeeld.

WE METEN

We vormen helemaal geen gaten in het landschap, we
vullen de leegte met ons koppig overeindstaan op

we passen en maken elkaar terwijl we omvallen
van het lachen met coördinaten en formules

minder bang, zelfs als we wilden konden we nergens
anders dan in onze eigen omtrek en elkaars gezelschap

schuilen, ik heb helemaal niemand nodig om niet zonder
je te kunnen, we moeten blijven ademen, tasten, strelen

we jagen of slapen, plukken elkaars grijze haren eruit
onze laarzen zakken steeds verder in de modder weg

we trekken grenzen, lachen en vervagen en alles
alles is zo scherp en helder en eenmalig om ons heen.



dinsdag 3 februari 2026

Dichtersaccolade in de poëzieweek - Gerhardt omarmt Nijhoff

 

In deze week van de poëzie breng ik elke dag niet één, maar twee dichters onder de aandacht, waarbij de ene duidelijk zijn beïnvloeding door de andere toont én zo zijn waardering en bewondering tot uiting brengt.

De Nederlandse dichteres Ida Gerhardt (1905-1997) volgde een eigenzinnige weg binnen de literatuur. Ze was lerares klassieke talen en haar begeestering voor de klassieken spreekt uit heel haar oeuvre  (inhoudelijk én naar vorm). Haar werk heeft vaak een metafysische en religieuze ondertoon én daarbij herkende ze zich ook in de wat oudere vertaler en dichter Martinus Nijhoff (1894-1953). 
Zo schreef ze in haar bundel De slechtvalk (1966) over Nijhoff.
Er zijn veel verwijzingen doorheen dit gedicht. Het begint al met de titel 'Voor dag en dauw', die ook titel is van een cyclus van acht sonnetten die Nijhoff in 1936 opdroeg aan de filosoof Johan Huizinga, die kort daarvoor een cultuurfilosofisch werk had geschreven over zijn tijd (de jaren 30 van vorige eeuw) met als titel 'In de schaduwen van morgen'. Donkere tijden tussen pessimisme en hoop zoals ook het beeld dat Gerhardt uitwerkt over tussen maan en dageraad. Zij herkende zichzelf ook in het christelijke geloof zoals ook Nijhoff: de beeldspraak van de nacht van de dood die overgaat in een nieuwe dag vol ongerept licht. En de centrale apart gezette zin vinden we ook terug in de titel van een bloemlezing uit gedichten van Nijhoff Lees maar, er staat niet wat er staat (uitg. Bert Bakker, Ooievaarreeks 191/192).

VOOR DAG EN DAUW
                                           In Memoriam M. Nijhoff

Wel elke ochtend ligt de dauw
over uw verzen, als dien dag
dat morgenlijk uw hand hen schiep.
De donkere wereld merkt het nauw,
maar wie niet tot de morgen sliep
leest tussen maan en dageraad
de bladzij die hij éénmaal zag
en sedert leest met de ogen dicht.

'Er staat geschreven wat er staat.'

En wat uw taal heeft aangeraakt,
thans is het aan uzelf verricht:
de dag, die uit de nacht ontwaakt,
de dauw, het ongerepte licht.
(Gerhardt, Ida, Verzamelde Gedichten, Uitg. Athenaeum-Polak & Van Gennep, Amsterdam, 1985, blz. 436)