maandag 2 februari 2026

Dichtersaccolade in de poëzieweek - Altink omarmt Slauerhoff

 


In deze week van de poëzie breng ik elke dag niet één, maar twee dichters onder de aandacht, waarbij de ene duidelijk zijn beïnvloeding door de andere toont én zo zijn waardering en bewondering tot uiting brengt.

In het laatste nummer van Het Liegend Konijn (2025/2, blz. 20) schreef de dichteres Isa Altink (1994) een vers "bij : 'De terugkeer 1', J. Slauerhoff, uit De zee een lied). Slauerhoff (1898-1936) was scheepsarts en één van de belangrijkste Nederlandstalige dichters van het interbellum. Soms wordt hij bestempeld als een 'vitalist', iemand die schrijft van een levensdrift en verlangen om vurig en gevaarlijk te leven. Zijn zwakke gezondheid deed hem telkens weer voor enige tijd terugkeren naar het vasteland, maar eenmaal wat beter werd hij weer getrokken naar het avontuurlijke leven op zee. Een rusteloze man, altijd op weg, altijd op zoek, ook als dichter.
In het vers van Altink is dit zwervende, dichterlijke, zoekende leven prominent aanwezig. Zij zoekt hoe haar leven en dichterschap zich verhoudt tot haar voorbeeld. Ze ziet gelijkenissen en verschillen. Via Altink adem je Slauerhoff mee in.

En waar heb ik gezocht? Niet veel op zeeën
wel wat in bossen, misschien tweemaal een berg.
Vannacht nog wees ik reizigers de weg naar een plek om te slapen
op kisten, matten, bedekte oppervlakten, tussen andere reizigers.
Veel bloemen waren daar niet, maar er was water, donker
waar wij ons omheen manoeuvreerden.
Zwerf ik in mijn geheugen, in een tropisch seizoen
in een wijnrood veld, naar de kust die jij
voor ons schetste: uitgestrekte weelde, bloesem
woekerend gras. Steeds mysterieuzer aan het worden
in dit beton waar je voeten verzinken. Ook ik zoek een moment
waarop ik volmaakt aanwezig was. Ben de gastvrouw
in mijn dromen die het licht uitdoet.
Die in jou een bloem denkt te zien
die je dichthoudt. Ergens is het, de weelde
dit veld vol papavers. Bloeien alleen
in het ritselend donker, alleen in de onstuimige nacht.



zondag 1 februari 2026

Dichtersaccolade in de poëzieweek - Gelman omarmt Baudelaire

 

 In deze week van de poëzie breng ik elke dag niet één, maar twee dichters onder de aandacht, waarbij de ene duidelijk zijn beïnvloeding door de andere toont én zo zijn waardering en bewondering tot uiting brengt.

Er zijn dichters van alle slag en soort, het zijn nu eenmaal ook mensen. Sommige dichters beleven hun dichterschap naast een eerder kleurloos baantje als ambtenaar (vb. Anton Korteweg) of als leraar (vb. Anton van Wilderode) of... Andere dichters leven een 'kleurrijker' of een dramatischer leven. Twee zo'n dichters ontmoeten elkaar hier vandaag. Er is de Argentijnse dichter Juan Gelman (1930-2014). Zijn naam verraadt al dat hij géén hispanic-roots heeft. Zijn ouders waren Oekraïense Joden en thuis werd er Jiddisch en Russisch gesproken, terwijl hij in een voorstad van Buenos Aires in het Spaans school liep. Via zijn vijftien jaar oudere halfbroer hoorde hij als kleuter veel Russische gedichten voordragen en die klanken intrigeerden de jonge Juan. Net als zijn vader werd Juan politiek actief in linkse kringen. Na de machtsovername door de militairen in 1976 werd Gelman politiek vluchteling. De militairen ontvoerden vele tegenstanders en hun familieleden. In 1976 ontvoerden ze de zoon van Gelman en diens hoogzwangere vrouw... Beiden werden nooit teruggevonden. Gelman werkte in Europa, bij de UN in New York en in Mexico voor hij uiteindelijk terug Argentinië kon bezoeken. In 2007 ontving hij de belangrijkste literatuurprijs in de Spaanssprekende wereld, de Cervantesprijs. Hij zou in Mexico stad sterven in 2014.
Dank zij de uitgeverij P (Leuven) verscheen er een bloemlezing uit het werk van Gelman. De hiervolgende 'Comentario LIII' is vertaald door Stefaan van den Bremt.
Deze 'comentario' of kanttekening roept de figuur op van de Franse 'decadente'  dichter (symbolist-modernist) Charles Baudelaire (1821-1867). Die dichter had een turbulent bohemien leven, waarbij hij al het geld dat hij uit zijn stiefvaders fortuin had opgeëist er in twee jaar heeft doorgejaagd. Sex, drugs (o.a absint) en schandalen bezorgden hem een unieke plaats in de Franse en Europese literatuur, reeds bij leven. Dit heftige leven eiste een hoge tol. Zijn hersenen werden aangetast, hij werd eenzijdig verlamd, leed aan afasie en syfilis. Zo stierf hij na een heftig ziekbed op 46 jaar.  Die heftige passies en woelige levensloop weet Gelman goed te suggereren in zijn vier maal vierregelig gedicht.

KANTTEKENING  LIII (baudelaire)

nu vrij van honger / zuiver / zachtjes
brand jij mijn ziel op als de dag
dat niemand nog ergens om vraagt /
en liefde niet meer is als honden /

zoals een stad belegerd om
er jou te zien of dood te gaan /
of zoiets van jou omklemmen als
toegift en herfstkleur van verlangen /

of als een zoen die wachten doet /
of almaar uitdijende lichtheid
die jou aanraakt / die jou opzoekt
en al dat lijden nog niet moe is /

of onder jouw lichaam als zot
uitslaande brand van liefdes aders /
als een clausuur / als dichte nacht
die in jouw stilte neer ging knielen

(uit :Gelman, Juan, Plaatsen & Kanttekeningen. Citas y Comentarios.
Uit het Spaans vertaald door Stefaan van den Bremt & Guy Posson, uitg. P, Leuven, 2008, blz. 58)
 


zaterdag 31 januari 2026

Dichtersaccolade in de poëzieweek - Korteweg omarmt Rilke

 


In deze week van de poëzie breng ik elke dag niet één, maar twee dichters onder de aandacht, waarbij de ene duidelijk zijn beïnvloeding door de andere toont én zo zijn waardering en bewondering tot uiting brengt.

Een van de belangrijkste Europese dichters van het eerste kwart van de vorige eeuw werpt tot op vandaag zijn schaduw over de Westerse poëzie, Rainer Maria Rilke (1875-1926). Ook heel veel dichters uit de Nederlandstalige literatuur hebben 'iets' met deze Duitse lyricus. 
In een bundel uit 2021 (Enfin, uitg. Meulenhoff, blz. 77) eindigt de Nederlandse dichter Anton Korteweg (1944) met een vers dat uitdrukkelijk naar een vers van Rilke verwijst, nl. 'Herfst'.
Hier beide na elkaar, eerst Rilke, in een vertaling van Piet Thomas.

HERFST

De blaren vallen, vallen als van ver,
als welkten in de hemel verre tuinen;
ze vallen met ontkennende gebaren.

En in de nachten valt de zware aarde
uit alle sterren in de eenzaamheid.

Wij allen vallen. Deze hand zal vallen.
En kijk je naar de andere: het is in alle.

Maar Eén is er. Hij vangt dit vallen
oneindig teder in zijn handen op.
(uit: De mooiste gedichten van Rainer Maria Rilke, uitg. Davidsfonds/Literair, 1999, blz. 79)
En zo 'herschrijft' Anton Korteweg dit vers.

ZEEF DE TIJD

We tuimelen uit een ritmisch heen-en-weer
-met vaste hand of losse pols, dat maakt niet uit-
geschudde zeef in iets wat er niet is
en wat ons dus niet stuit. Als je dat al zou willen,
klauter je bij gebrek aan houvast daar niet uit.

Wie dit vooruitzicht al te zeer benauwt:
er is er een, zegt Rilke, die ons vallen
oneindig teder in zijn handen houdt.


vrijdag 30 januari 2026

Dichtersaccolade in de poëzieweek - Kuipers omarmt Brodsky

 

In deze week van de poëzie breng ik elke dag niet één, maar twee dichters onder de aandacht, waarbij de ene duidelijk zijn beïnvloeding door de andere toont én zo zijn waardering en bewondering tot uiting brengt.

In de poëzie is een weerkerend thema de poëzie zelf. Dichters verbazen zich altijd weer over hun metier en daarbij lezen ze vaak andere dichters. 
Zo verscheen in Het Liegend Konijn van april 2020 een cyclus korte aforistische verzen over velerlei thema's van de hand van Frans Kuipers (1942). De cyclus is een soort abc, waarbij de dichter allerlei thema's kort aanstipt. Onder de letter d heeft hij het over de Russische dichter en Nobelprijswinnaar Literatuur 1987 Joseph Brodsky (1940-1996), met ook een kleine uitweiding naar W.H. Auden (1907-1973). 
Een visie op poëzie en literatuur in enkele lijnen, met een vette knipoog als uitsmijter.

ABC VAN IE

(...)

d)
Deze twee :
de stilte (immens) van de dingen
en het inktzwarte wonder van het woord.

Brodsky: 'Alleen-zijn leert je het wezen der dingen
want hun wezen is alleen-zijn.'

Brodsky (nogmaals, Auden citerend) :
'Ik heb drie grote dichters gekend,
elk een eersterangs klootzak.'
(uit: Het Liegend Konijn, 2020/1, blz. 149)





donderdag 29 januari 2026

Dichtersaccolade in de poëzieweek - Theunynck omarmt Nolens

 

 In deze week van de poëzie breng ik elke dag niet één, maar twee dichters onder de aandacht, waarbij de ene duidelijk zijn beïnvloeding door de andere toont én zo zijn waardering en bewondering tot uiting brengt.

Op 26 december vorig jaar overleed dichter, vertaler en dagboekschrijver Leonard Nolens (1947-2025). Hij stond bekend als een romanticus, die zijn leven tot literatuur thematiseerde. Hij was geplaagd door angsten en twijfels over zichzelf als kunstenaar, hij was een perfectionist die zonder genade zichzelf en zijn werk onder het vergrootglas legde en nooit tevreden was. Onvervaard liet hij zijn lezers meekijken naar zijn kwetsuren en zijn pogingen om er mee om te gaan. Voor vele jonge dichters was en is hij een voorbeeld dat  inspireert en confronteert, een ijkpunt in hun zoektocht. Zo ook voor dichter Peter Theunynck (1960), die in zijn bundel uit 2014 De benen van de hemel (uitg. Wereldbibliotheek), een cyclus publiceerde onder de titel IJkpunten. Daarin dit gedicht rond Leonard Nolens.

LEONARD

Een mes vindt zijn weg naar de muis
van een hand. Een glasscherf zuigt bloed
uit een duim. Een stuurbreuk, een klaplong,

een fugue. De sterkste verweert zich
met hamer of bat. De handigste bedient
zich van olie en zalf. De stilste incasseert.

Snede bij snede, littekens naar lengte
en kleur, kneuzingen per lichaamsdeel.
Ringmappen vol. Rijke collecties.

Hij legt de vreemdste verbanden, boort
harmonieën aan, krijgt pijn aan het zingen.
Puurt schoonheid uit gapende wonden.
(uit : Theunynck, Peter, De benen van de hemel, blz. 58)



dinsdag 27 januari 2026

Kandinsky leren zien - ten derde male

 Het zien van de Arte-documentaire "Kandinsky Voir la musique, réinventer la peinture" (zie vorige twee berichten) heeft mij doen terugkijken naar wat ik onder andere tijdens een bezoek aan het Lenbachhaus in München (juli 2023) heb gezien en de moeite vond te fotograferen. Zo kom ik bij vier variaties van één thema (als dat geen muziek is...).
Het gaat om vier maal het thema van 'Allerheiligen' met ook hier een variatie tussen figuratief en abstract, allemaal werken uit het jaar 1911.
Boeiend om te zien hoe de kunstenaar zoekt naar een eigen nieuwe taal binnen de schilderkunst, een taal waarin gevoel en rede hun plaats krijgen via kleur, vorm en ritme.
Eerst een glasschildering, een techniek waarbij Kandinsky zich liet inspireren door de volkskunst.

(Kandinsky : Allerheiligen I 1911 glasschildering - eigen foto)


Hetzelfde werk herneemt hij in olieverf maar meer gefocust op kleur en vorm en dus abstracter. Waar velen zoiets nu laten doen door computerprogramma's, was dit voor Kandinsky een zoeken met materie, een eigen werk...
(Kandinsky : Allerheiligen I juli-augustus 1911 - eigen foto)


Hij wil een tweede versie maken rond het thema Allerheiligen en daarvoor maakt hij een schets, zéér abstract.
Daaronder zien we hoe hij het uiteindelijk op doek vastlegde als "Allerheiligen II".

(Kandinsky : studie voor Allerheiligen II 1911 - eigen foto)


(Kandinsky : Allerheiligen II 1911 - eigen foto)


zondag 25 januari 2026

Kandinsky leren zien - nogmaals

 Zoals in een vorig bericht wil ik nog even terugkomen op de documentaire van Arte over de Russische schilder en leraar Wassily Kandinsky (1866-1944) en de relatie tussen muziek en schilderkunst binnen zijn oeuvre. Zie voor een link naar de documentaire op het eind van het vorige bericht.
De abstrahering door Kandinsky is in het begin nog gemakkelijk te volgen. Zie bijvoorbeeld uit het zelfde jaar 1911 twee maal een werk rond Sint Joris. De meest figuratieve is het werk van Sint Joris en de draak. Alles is herkenbaar en gemakkelijk te 'lezen': de heilige zit op een blauw gevlekt paard en steekt met zijn groene lans de draak die kronkelt linksonder (links ... de kant van het sinistere, het kwade).
(Kandinsky : Sint Joris en de draak 1911 - ©Wassily Kandinskynet)


Maar een ander werk van hetzelfde jaar vraagt meer inspanning maar de titel geeft aanwijzingen : Sint Joris
De groene speer blijft centraal verticaal in beeld en de kronkelende draak kan je linksonder ervan 'zien' in de wirwar, terwijl het blauwe paard en het groene gezicht van de ruiter de toeschouwer met hun twee ogen frontaal aankijken. Hier ligt de stuwing meer van boven naar onder, de verticale lijnen geven richting aan ons kijken.
(Kandinsky : Sint Joris -1911 - ©Wassily Kandinskynet)


Tijdens zijn periode als leraar aan het Bauhaus maakt hij een abstract werk in 1925 dat evenwel nog heel de dynamiek van vorige Sint-Joris-schilderijen in zich heeft. De zwarte cirkel is het schild, de diagonale zwarte lijn van linksonder naar rechtsboven de lans, de oranje 'boemerang' bovenaan de helm en de blauwe kommavorm met wit oog het paard en in het oranjevlak onderaan de afdruk van de paardenhoeven. 
(Kandinsky : Auf Weiss II - 1925 - ©wikipedia)


In de documentaire betoogt men dat Kandinsky hier werkt als een musicus die bepaalde thema's herneemt en verder uitwerkt in nieuwe composities. Hoe dan ook, deze nodigt ons in elk geval uit om met aandacht te kijken naar de abstracte werken mét in je achterhoofd zijn eerdere figuratieve schilderijen. Dan krijgt zijn oeuvre meer consistentie en samenhang en kunnen zijn werken dieper resoneren bij ons, de kijkers.