voor veel kinderplezier
en voor veel gesakker en gesukkel
bij wie moet buitenshuis moeten.
De sneeuw als zorg en als zegen
én de singer-songwriter Conor Oberst (1980)
inspireerden Thomas Möhlmann
tot een bijzonder sneeuwvers, verschenen in zijn bundel
Ik was een hond
(uitg. Prometheus, Amsterdam, 2017,blz. 57).
De link met Oberst blijft voor mij
een raadsel,
maar het vers heeft
een eigen dwingende en dringende kracht.
WE OFFEREN
We staan tot onze knieën in de sneeuw, er is geen houden
aan, onze zegeningen stapelen zich op onze schouders op
het stormt en striemt en onze voeten zijn bevroren, we
kunnen niet anders dan hoopvol omhoogkijken, alleen
van boven dwarrelen nieuwe zegeningen op ons neer, boven
de wolken lacht de maan ons uit, boven de lachende wagenzieke
maan zoeven stenen en stof onverschillig naar ons toe en van
ons af en daar omheen houden kolossale vingers ons intact
we houden handkommetjes omhoog, de sneeuw haast bij
onze navels, neem alsjeblieft nog wat van dit onmogelijke
verrukkelijke, nog wat van verrukkelijk verrottende
overschot, neem wat er is nog voor we er niet meer zijn.







