De Poolse dichter Zbigniew Herbert (1924-1998) die onder het communistische bewind omzichtig schreef, flirtend met de grens van de censuur, schreef in begin jaren 1980 een vers aan zijn jongere collega Ryszard Krynicki (1943) , die zich ook staande probeerde te houden onder het communistische regime. Het gedicht is een lange mijmering over de vragen, twijfels en pogingen om zijn authenticiteit te bewaren in een onderdrukkende samenleving en over wat poëzie nu (waard) is. De oudere Herbert herkent in ongeveer twintig jaar jongere dichter een zielsverwant.
AAN RYSZARD KRYNICKI - EEN BRIEF
Er zal niet veel overblijven Ryszard werkelijk niet veel
van de poëzie van deze krankzinnige eeuw Rilke Eliot zeker
nog een paar andere waardige sjamanen die het geheim kenden
de woorden bezwoeren de vorm die de tijd kan weerstaan
zonder welk geen zinsnede het gedenken waard is en alle taal
als zand
onze schoolschriften oprecht gekweld
zullen met hun spoor van zweet tranen bloed
voor de eeuwige correctrice zijn als de tekst van een liedje
zonder muziek
edel rechtschapen en al te vanzelfsprekend
te gemakkelijk geloofden we dat schoonheid niet redt
lichtzinnigen van droom tot droom naar de dood voert
niemand van ons is het gelukt de nimf van de populier te
wekken
het schrift van de wolken te lezen
daarom zal de eenhoorn onze sporen niet volgen noch
zullen wij het schip in de baai de pauw de roos doen herleven
ons rest de naaktheid en naakt staan we
aan de rechter de goede kant van de triptiek
Het Laatste Oordeel
op onze tengere schouders namen we publieke zaken
de strijd met de tirannie de leugen de optekening van het lijden
maar onze tegenstanders - zul je toegeven - waren verachtelijk
klein
loonde het daarom de heilige taal te verlagen
tot het gewauwel van de tribune zwart krantenschuim
er is Ryszard in onze gedichten zo weinig vreugde de
dochter van de goden
te weinig lichtende schemeringen spiegels lauweren
vervoering
niets dan duistere psalmodieën gestotter van een beetje leven
urnen vol as in een verbrande tuin
welke krachten zijn nodig om in weerwil van het lot
de vonnissen van de geschiedenis de menselijke
ongerechtigheid
in de hof des verraads te fluisteren - de stilte van de nacht
welke krachten van de geest zijn nodig
in den blinde wanhoop tegen wanhoop slaand
een vonkje licht te doen opflikkeren sein tot verzoening
zodat de rondedans op het dichte gras eeuwig duurt
de geboorte van elk kind wordt gevierd en alle begin
de geschenken van lucht aarde water en vuur
ik weet het niet - m'n beste - daarom
stuur ik je deze uilenraadsels in de nacht
een welgemeende handdruk
en een groet van mijn schaduw
(uit : Herbert, Zbigniew, Verzamelde gedichten. Vertaling Gerard Rasch, Uitg. De Bezige Bij, Amsterdam, 2000, blz. 386-387)