dinsdag 13 januari 2026

De bekoring van de zee - meeuwen

 Samen met dichter Jan Vanmeenen wil ik mij nog even laten bekoren door de zee en het leven op en langs de kustlijn.
Vandaag wandelen we op het strand en verwonderen we ons over de meeuwen.
(eigen foto - 30 september 2020 Bredene)


STRANDWANDELING

Meeuwen spelen meeuw zoals
alleen zij dat kunnen, luchtig en licht,

of ze iets van hun vleugels willen
schudden veren ze voor ons weg.

Wij zijn te mens om te vliegen,

te zwaar voor de lucht en te moe
blijven we spoorlopend in het zand
lasvast aan onze schaduw kleven.

Golven rollen op ons aan in schoonschrift,
water blijft zich geduldig herhalen,

en nog begrijpen wij niet.
(uit: Vanmeenen, Jan, De zee is een zij, Uitg. P, Leuven, 2019, blz. 35)

Dichters scheppen soms nieuwe woorden zoals hier het woord 'lasvast' 
om uit te drukken hoe onze schaduw aan ons lijf is vast gelast. 
En het aloude menselijke verlangen naar het onmogelijke, 
het kunnen vrij worden van zwaartekracht, 
dat besloten ligt in de centrale zin van het gedicht 
en dat de observatie van de meeuwen doet kantelen 
tot een mijmering over het mens zijn : 
wij zijn te mens om te vliegen.

zondag 11 januari 2026

Sneeuw vers

 
(eigen foto - november 2025 
park Messyne Kortrijk)

De sneeuw zorgt voor mooie plaatjes,
 voor veel kinderplezier
 en voor veel gesakker en gesukkel 
bij wie moet buitenshuis moeten.
De sneeuw als zorg en als zegen 
én de singer-songwriter Conor Oberst (1980) 
inspireerden Thomas Möhlmann 
tot een bijzonder sneeuwvers, verschenen in zijn bundel 
Ik was een hond 
(uitg. Prometheus, Amsterdam, 2017,blz. 57).
De link met Oberst blijft voor mij 
een raadsel, 
maar het vers heeft 
een eigen dwingende en dringende kracht.


WE OFFEREN

We staan tot onze knieën in de sneeuw, er is geen houden
aan, onze zegeningen stapelen zich op onze schouders op

het stormt en striemt en onze voeten zijn bevroren, we
kunnen niet anders dan hoopvol omhoogkijken, alleen

van boven dwarrelen nieuwe zegeningen op ons neer, boven
de wolken lacht de maan ons uit, boven de lachende wagenzieke

maan zoeven stenen en stof onverschillig naar ons toe en van
ons af en daar omheen houden kolossale vingers ons intact

we houden handkommetjes omhoog, de sneeuw haast bij
onze navels, neem alsjeblieft nog wat van dit onmogelijke

verrukkelijke, nog wat van verrukkelijk verrottende
overschot, neem wat er is nog voor we er niet meer zijn.

vrijdag 9 januari 2026

Gedateerd - negen januari

 



De Vlaamse dichter Marleen de Crée (1941-2021) schreef een cyclus 'voor Frans Van den Bergh' met de bekende Latijnse spreuk Tempus fugit (de tijd vlucht of vliegt voorbij) als titel. De man van de Crée was directeur bij Janssen Pharmaceutica, waar Frans Van den Bergh bestuurder was tot 1981. Van den Bergh overleed in oktober 1990. Dus vermoed ik dat de cyclus is opgedragen aan deze man.
Deze gelegenheidsbundel is alleen gepubliceerd in een uitgave uit 1990 van het Poëziecentrum, Gent, met gedichten uit de periode 1969-1989 onder de titel Over de brug der aarzelingen.
De cyclus Tempus Fugit bestaat uit dertien gedichten, elke maand een, altijd gedateerd op de negende van die maand en een slotvers 'coda'.
In elk gedicht vervlecht de Crée natuurobservaties met de menselijke levensloop en het menselijke verlangen naar/tekort aan liefde en vriendschap.
Op deze negende januari is dit eerste vers van deze cyclus in de sonnetvorm. Over deze sonnetvorm zei ze ooit : "Deze dichtvorm beantwoordt aan de twee belangrijkste technische vereisten die ik mezelf stel bij het schrijven, namelijk muzikaliteit en vormdiscipline." (zie website schrijversgewijs).
(Marleen de Crée - ©Poëzie-Centraal)



NEGEN JANUARI

oud worden en zich het licht
herinneren van januari.
denken : er is niets verloren
dan deze korte afwezigheid.

het licht is grijzer dan de haren,
bomen stiller dan de tijd.
mist verzacht het zwijgen.
de kilte werd niet voorbereid.

en in de milde warmte van de kamer
sla ik het boek van jaren
open op het liefste blad.

wit staart me tegen
alsof het niets te zeggen had.
dan gaat de stilte wegen.

dinsdag 6 januari 2026

De bekoring van de zee - eb

(eigen foto Nieuwpoort 27 maart 2017)

 
Niet alleen schilders en fotografen worden bekoord door de zee;
niet alleen de kleine kinderen en hun (groot)ouders;
niet alleen dromers en durvers,
maar ook dichters...
Dichter Jan Van Meenen verzamelde 
menig zeevers in zijn bundel
De zee is een zij (Uitg. P, Leuven, 2019). 
Daaruit een vers over zee, water, 
verglijdende tijden 
en het pogen van een dichter.

'De horizon trekt het laken
alweer naar zich toe.'

EB

Dat het alweer de andere kant uit gaat,
ziltig aanzuigt, plaagziek aan je tenen trekt.

Je ademt diep en mee. Laat het weg willen
in je ontstaan.

Tijd schuift met z'n schaduwen en wij,
door lagen lucht gedragen deinen uit,

raken alweer verzoend met het papier
in onze handen, de zoemende woorden
en het licht dat langzaam
voor ons sterft.

(Van Meenen, Jan, De zee is een zij, 2019, blz. 44)

zaterdag 3 januari 2026

de bekoring van de zee

 De zee bekoort, vraag het maar aan Stephan Vanfleteren 
(zie berichten hier van 5, 7 en 9 december laatstleden).
Kijk maar mee hier aan de dijk van Mariakerke 
op 1 maart 2017.

(eigen foto)





donderdag 1 januari 2026

2026... wat zal het worden?

(Nieuwpoort 28 maart 2017 - eigen foto)
 Nieuwjaar . . .
laat ons elkaar het goede toewensen,
laat ons elkaar ons beste zelf toewensen,
laat ons elkaar elkaar toewensen...


Mijn beste wensen bij de start van een nieuw jaar,
een jaar met vele vraagtekens...
zoals ook de Indiase dichter Rabindranath Tagore
(1861-1941), Nobelprijswinnaar literatuur 1913,
schreef in een van zijn Wijzangen, wellicht zijn bekendste
gedichtenbundel.
Het leven als een vaartocht... een cliché maar
een dat nog altijd beeldkracht behoudt.

WIJ-ZANGEN
 
12

Een heerlijke zachte bries
streelt het sneeuwwitte zeil.
Nog nooit schoof een boot
zo bevallig over de stroom.
     Brengt hij kostbare schatten?
     Vanwaar is hij vertrokken?
     Mijn geest dwaalt op het strand,
     waar nog alles mogelijk is.
In de verte rolt de donder
door dichte regensluiers
en breekt het wolkendek open
voor een vluchtige zonneglimp.
     O Bootsman, wie zijt Gij?
     Brengt Gij vreugde of verdriet?
     Wat zal het worden?
     Zullen we gelukkig zijn?

(uit: De mooiste van Rabindranath Tagore. Samengebracht door Koen Stassijns en Ivo van Strijtem. uitg. Lannoo, Tielt, 1998, blz. 60, vertaling Dr. Jan Gysen)



dinsdag 30 december 2025

de bekoring van Raveel

In de Vlaamse kunstenwereld heeft de eigenzinnige Roger Raveel (1921-2013) een apart oeuvre geschapen met tekeningen, grafiek, schilderijen, installaties en performances. Ook al bleef hij meestal heel dicht bij huis (de Oost-Vlaamse Leiestreek rond Machelen), toch was hij heel vertrouwd met wat er internationaal gebeurde. Altijd weer ben ik bekoord door de schijnbare eenvoud van zijn werk.
Daarin ben ik niet alleen, de streekgenoot en woordkunstenaar Paul Demets (1966) heeft in het werk van Raveel al veel inspiratie gevonden voor zijn gedichten. De bundel Het web van omtrek uit 2021 bevat enkel poëzie die ontstaan is uit een vonk die oversloeg van een werk van Raveel. Zo ook ontstond onderstaand vers bij een tekening van Raveel 'Zonder titel' uit 1951. 
(Roger Raveel : Zonder titel 1951 )


In dit gedicht worden vele facetten van het werk van Raveel opgeroepen : thema's als betonmuren en witte palen; zijn kleurenpalet met rood,wit,groen,geel en blauw; zijn performances met zijn stootkar. De openingszin vind ik waard een levensmotto te zijn, zeker in onze consumptiesamenleving.

Alles is het waard om gezien
te worden: de theekan in chroom,
de betonmuur en de witte palen,
de kar waarmee je de dingen voor je uit

duwt. Alles kijkt ons aan, onbeschroomd,
en maakt zijn rauwe kleurenklank
van rood, wit, groen, geel en blauw.
Onze aanwezigheid daartussen : een oponthoud.

Alles heeft zijn plaats in de ruimte.
De dingen zijn met hun geest beladen
die rust. Maar ook zijn hier aanwezig
het toeval, het stamelen, de menselijke fout.
(uit Demets, Paul, Het web van omtrek, uitg. Poëziecentrum, Gent, 2021, blz. 52)