zaterdag 31 januari 2026

Dichtersaccolade in de poëzieweek - Korteweg omarmt Rilke

 


In deze week van de poëzie breng ik elke dag niet één, maar twee dichters onder de aandacht, waarbij de ene duidelijk zijn beïnvloeding door de andere toont én zo zijn waardering en bewondering tot uiting brengt.

Een van de belangrijkste Europese dichters van het eerste kwart van de vorige eeuw werpt tot op vandaag zijn schaduw over de Westerse poëzie, Rainer Maria Rilke (1875-1926). Ook heel veel dichters uit de Nederlandstalige literatuur hebben 'iets' met deze Duitse lyricus. 
In een bundel uit 2021 (Enfin, uitg. Meulenhoff, blz. 77) eindigt de Nederlandse dichter Anton Korteweg (1944) met een vers dat uitdrukkelijk naar een vers van Rilke verwijst, nl. 'Herfst'.
Hier beide na elkaar, eerst Rilke, in een vertaling van Piet Thomas.

HERFST

De blaren vallen, vallen als van ver,
als welkten in de hemel verre tuinen;
ze vallen met ontkennende gebaren.

En in de nachten valt de zware aarde
uit alle sterren in de eenzaamheid.

Wij allen vallen. Deze hand zal vallen.
En kijk je naar de andere: het is in alle.

Maar Eén is er. Hij vangt dit vallen
oneindig teder in zijn handen op.
(uit: De mooiste gedichten van Rainer Maria Rilke, uitg. Davidsfonds/Literair, 1999, blz. 79)
En zo 'herschrijft' Anton Korteweg dit vers.

ZEEF DE TIJD

We tuimelen uit een ritmisch heen-en-weer
-met vaste hand of losse pols, dat maakt niet uit-
geschudde zeef in iets wat er niet is
en wat ons dus niet stuit. Als je dat al zou willen,
klauter je bij gebrek aan houvast daar niet uit.

Wie dit vooruitzicht al te zeer benauwt:
er is er een, zegt Rilke, die ons vallen
oneindig teder in zijn handen houdt.


vrijdag 30 januari 2026

Dichtersaccolade in de poëzieweek - Kuipers omarmt Brodsky

 

In deze week van de poëzie breng ik elke dag niet één, maar twee dichters onder de aandacht, waarbij de ene duidelijk zijn beïnvloeding door de andere toont én zo zijn waardering en bewondering tot uiting brengt.

In de poëzie is een weerkerend thema de poëzie zelf. Dichters verbazen zich altijd weer over hun metier en daarbij lezen ze vaak andere dichters. 
Zo verscheen in Het Liegend Konijn van april 2020 een cyclus korte aforistische verzen over velerlei thema's van de hand van Frans Kuipers (1942). De cyclus is een soort abc, waarbij de dichter allerlei thema's kort aanstipt. Onder de letter d heeft hij het over de Russische dichter en Nobelprijswinnaar Literatuur 1987 Joseph Brodsky (1940-1996), met ook een kleine uitweiding naar W.H. Auden (1907-1973). 
Een visie op poëzie en literatuur in enkele lijnen, met een vette knipoog als uitsmijter.

ABC VAN IE

(...)

d)
Deze twee :
de stilte (immens) van de dingen
en het inktzwarte wonder van het woord.

Brodsky: 'Alleen-zijn leert je het wezen der dingen
want hun wezen is alleen-zijn.'

Brodsky (nogmaals, Auden citerend) :
'Ik heb drie grote dichters gekend,
elk een eersterangs klootzak.'
(uit: Het Liegend Konijn, 2020/1, blz. 149)





donderdag 29 januari 2026

Dichtersaccolade in de poëzieweek - Theunynck omarmt Nolens

 

 In deze week van de poëzie breng ik elke dag niet één, maar twee dichters onder de aandacht, waarbij de ene duidelijk zijn beïnvloeding door de andere toont én zo zijn waardering en bewondering tot uiting brengt.

Op 26 december vorig jaar overleed dichter, vertaler en dagboekschrijver Leonard Nolens (1947-2025). Hij stond bekend als een romanticus, die zijn leven tot literatuur thematiseerde. Hij was geplaagd door angsten en twijfels over zichzelf als kunstenaar, hij was een perfectionist die zonder genade zichzelf en zijn werk onder het vergrootglas legde en nooit tevreden was. Onvervaard liet hij zijn lezers meekijken naar zijn kwetsuren en zijn pogingen om er mee om te gaan. Voor vele jonge dichters was en is hij een voorbeeld dat  inspireert en confronteert, een ijkpunt in hun zoektocht. Zo ook voor dichter Peter Theunynck (1960), die in zijn bundel uit 2014 De benen van de hemel (uitg. Wereldbibliotheek), een cyclus publiceerde onder de titel IJkpunten. Daarin dit gedicht rond Leonard Nolens.

LEONARD

Een mes vindt zijn weg naar de muis
van een hand. Een glasscherf zuigt bloed
uit een duim. Een stuurbreuk, een klaplong,

een fugue. De sterkste verweert zich
met hamer of bat. De handigste bedient
zich van olie en zalf. De stilste incasseert.

Snede bij snede, littekens naar lengte
en kleur, kneuzingen per lichaamsdeel.
Ringmappen vol. Rijke collecties.

Hij legt de vreemdste verbanden, boort
harmonieën aan, krijgt pijn aan het zingen.
Puurt schoonheid uit gapende wonden.
(uit : Theunynck, Peter, De benen van de hemel, blz. 58)



dinsdag 27 januari 2026

Kandinsky leren zien - ten derde male

 Het zien van de Arte-documentaire "Kandinsky Voir la musique, réinventer la peinture" (zie vorige twee berichten) heeft mij doen terugkijken naar wat ik onder andere tijdens een bezoek aan het Lenbachhaus in München (juli 2023) heb gezien en de moeite vond te fotograferen. Zo kom ik bij vier variaties van één thema (als dat geen muziek is...).
Het gaat om vier maal het thema van 'Allerheiligen' met ook hier een variatie tussen figuratief en abstract, allemaal werken uit het jaar 1911.
Boeiend om te zien hoe de kunstenaar zoekt naar een eigen nieuwe taal binnen de schilderkunst, een taal waarin gevoel en rede hun plaats krijgen via kleur, vorm en ritme.
Eerst een glasschildering, een techniek waarbij Kandinsky zich liet inspireren door de volkskunst.

(Kandinsky : Allerheiligen I 1911 glasschildering - eigen foto)


Hetzelfde werk herneemt hij in olieverf maar meer gefocust op kleur en vorm en dus abstracter. Waar velen zoiets nu laten doen door computerprogramma's, was dit voor Kandinsky een zoeken met materie, een eigen werk...
(Kandinsky : Allerheiligen I juli-augustus 1911 - eigen foto)


Hij wil een tweede versie maken rond het thema Allerheiligen en daarvoor maakt hij een schets, zéér abstract.
Daaronder zien we hoe hij het uiteindelijk op doek vastlegde als "Allerheiligen II".

(Kandinsky : studie voor Allerheiligen II 1911 - eigen foto)


(Kandinsky : Allerheiligen II 1911 - eigen foto)


zondag 25 januari 2026

Kandinsky leren zien - nogmaals

 Zoals in een vorig bericht wil ik nog even terugkomen op de documentaire van Arte over de Russische schilder en leraar Wassily Kandinsky (1866-1944) en de relatie tussen muziek en schilderkunst binnen zijn oeuvre. Zie voor een link naar de documentaire op het eind van het vorige bericht.
De abstrahering door Kandinsky is in het begin nog gemakkelijk te volgen. Zie bijvoorbeeld uit het zelfde jaar 1911 twee maal een werk rond Sint Joris. De meest figuratieve is het werk van Sint Joris en de draak. Alles is herkenbaar en gemakkelijk te 'lezen': de heilige zit op een blauw gevlekt paard en steekt met zijn groene lans de draak die kronkelt linksonder (links ... de kant van het sinistere, het kwade).
(Kandinsky : Sint Joris en de draak 1911 - ©Wassily Kandinskynet)


Maar een ander werk van hetzelfde jaar vraagt meer inspanning maar de titel geeft aanwijzingen : Sint Joris
De groene speer blijft centraal verticaal in beeld en de kronkelende draak kan je linksonder ervan 'zien' in de wirwar, terwijl het blauwe paard en het groene gezicht van de ruiter de toeschouwer met hun twee ogen frontaal aankijken. Hier ligt de stuwing meer van boven naar onder, de verticale lijnen geven richting aan ons kijken.
(Kandinsky : Sint Joris -1911 - ©Wassily Kandinskynet)


Tijdens zijn periode als leraar aan het Bauhaus maakt hij een abstract werk in 1925 dat evenwel nog heel de dynamiek van vorige Sint-Joris-schilderijen in zich heeft. De zwarte cirkel is het schild, de diagonale zwarte lijn van linksonder naar rechtsboven de lans, de oranje 'boemerang' bovenaan de helm en de blauwe kommavorm met wit oog het paard en in het oranjevlak onderaan de afdruk van de paardenhoeven. 
(Kandinsky : Auf Weiss II - 1925 - ©wikipedia)


In de documentaire betoogt men dat Kandinsky hier werkt als een musicus die bepaalde thema's herneemt en verder uitwerkt in nieuwe composities. Hoe dan ook, deze nodigt ons in elk geval uit om met aandacht te kijken naar de abstracte werken mét in je achterhoofd zijn eerdere figuratieve schilderijen. Dan krijgt zijn oeuvre meer consistentie en samenhang en kunnen zijn werken dieper resoneren bij ons, de kijkers.

vrijdag 23 januari 2026

Kandinsky leren zien

 Al jaren lang ben ik geboeid door de kunst van de Russische schilder en leraar Vassily Kandinsky (1866-1944). Zijn goed gedocumenteerde overgang van figuratieve naar abstracte schilderkunst helpt kijken, maar toch zijn de werken van Kandinsky niet zo behapbaar. Dat was ook zijn doel, want hij wilde emoties opwekken en losmaken bij de toeschouwer. Hij wilde dat de bezoeker in een museum wat langer zou stilstaan bij zijn doeken om zich af te vragen wat hij ziet en om zich te laten aanspreken door kleur, vorm en 'klank' van het werk. Hij wilde dat elk schilderij van hem een soort van innerlijke resonantie zou veroorzaken bij de kijker. De term resonantie is een muzikale term en dat is gepast, want muziek en schilderkunst waren voor deze schilder twee kanten van eenzelfde medaille.
Onlangs zag ik een documentaire van Arte op NPO onder de titel : Muziek zien, de schilderkunst heruitvinden. Deze kan je op YouTube bekijken (54 minuten in een Franse of Duitse versie, zie hieronder de links).
Altijd benieuwd naar Kandinsky leerde ik wel meerdere aspecten van zijn werk beter te zien.
Een nieuw verband werd getoond tussen een werk uit 1909, de Studie voor Improvisatie 8 en het werk Geel-Rood-Blauw uit 1925.

(Kandinsky : Gelb Rot Blau 1925 - ©Wikiart)


Het laatste werk is abstract spel van kleurvlakken en zwarte lijnen, te lezen van links naar rechts. Als we de kleurentheorie van Kandinsky erbij halen, zien we het felle geel dat een agressieve toon heeft (K. denkt aan trompetten). Dan is er het rood dat passie uitdrukt en voor K. aansluit bij de tuba, terwijl het blauw verwijst naar het spirituele. De donkere blauwen doen denken aan orgelmuziek, terwijl K. in het felle blauw een fluit hoort. De levensloop van een mens gaat voor K van wit naar zwart en ook die lijn kan je onderkennen in dit werk.
Maar voor mij was dan nieuw dat men in dit werk uit 1925 een abstracte herneming ziet van het werk uit 1909. 
(Kandinsky : Studie voor Improvisatie 8 - 1909 - ©wikiart)


In zijn reeks 'Improvisaties' wil K. zijn innerlijke emotionele en spirituele ervaringen uitbeelden met nog figuratieve elementen. De Studie voor Improvisatie 8 toont de uitdrijving van Adam en Eva uit het paradijs, met een engel die met een zwaard de toegang verspert. Centraal en links op het doek heeft geel de overhand, terwijl we uiterst rechts figuren kunnen herkennen met blauw bovenkleed en rode broek of rok. Zoals componisten thema's hernemen en uitdiepen in de loop der jaren, zo varieerde Kandinsky zijn vroegere werken.

Met deze link kan je de Franse versie van de documentaire (Kandinsky : voir la musique réinventer la peinture) integraal bekijken : https://www.youtube.com/watch?v=XroLDgMcnFo
Ontdek je deze documentaire liever in het Duits (Kandinsky, der Maler der Musik) , dan heb je deze link nodig : https://www.youtube.com/watch?v=AQuI2Fm0kIg



woensdag 21 januari 2026

Het laatste konijn - 3 -


 
Eind vorig jaar verscheen voor het laatst 
het tijdschrift Het Liegend Konijn 
en elke regelmatige lezer van deze blog 
weet dat dit tijdschrift vaak een bron is geweest 
voor berichten alhier. 
Op mijn lezenaar ligt graag dat konijn. 
Met spijt neem ik afscheid van het konijn, 
en uit dat allerlaatste nummer 
hier een kort vers van Frans Kuipers, 
een vers dat in zijn eenvoud 
een ode is aan de natuur 
en aan de verwondering van het mogen/kunnen kijken 
naar die altijd eendere andere natuur. 
Het is een uitnodiging 
om met aandacht te blijven kijken.

Kijker,
  nooit komt er aan het worden van wolken een einde;
als ik klaproos en boterbloem goed heb gelezen:
  de zon is nog altijd met de schepping bezig

(uit : Het Liegend Konijn, 2025/2, blz. 124)

(eigen foto mei 2018)


maandag 19 januari 2026

Het laatste konijn - 2 -

 

In het allerlaatste nummer van het tijdschrift Het Liegend Konijn (2025/2) 
is er weer een verzameling verzen te vinden
in verschillende stijlen, 
in verschillende taalregisters, 
met verschillende thema's.
Hier een sensueel gedicht over perziken en liefhebben... 
Dat hoort zomaar samen volgens Isa Altink (1994)

Ik stel me iemand voor
die zich in mijn hand legt als een perzik
stil en glinsterend in het donker

Ik stel me voor dat die perzik langzaam rolt
langs mijn pols, de holte van mijn elleboog, mijn oksel
en op mijn buik gaat liggen, meedeint

Ik stel me voor dat het paard in mij groeit
hoe het met fluwelen neus langs de rand, oren gespitst
de lippen behoedzaam aan de schil, 4 kilo aan bonkend hart

In de winkel blijf ik lang
bij de fruitafdeling staan
(uit: Het Liegend Konijn, 2025/2, blz. 19) 
(Paul Cezanne : Schaal met perziken ca. 1894)


zaterdag 17 januari 2026

Het laatste konijn - 1 -

 

Eind vorig jaar 
verscheen het aller-, allerlaatste nummer 
van het poëzietijdschrift Het Liegend Konijn,
 geesteskind van Jozef Deleu.
In zijn laatste inleidend woord 
belijdt Deleu nogmaals zijn overtuiging 
in de waarde van poëzie. 
Hij schrijft :
"Poëzie is drager van originaliteit, vrijmoedigheid en zelfstandigheid. Dichters blijven machthebbers erop wijzen dat woorden ertoe doen en dat taal niet ondergesneeuwd mag raken onder het verbalisme van de politiek en de commercie."
Kritische stemmen, schrijvers, docenten en dichters hebben het moeilijk om vrijuit te spreken en schrijven in zovele landen, tot zelfs in de VS! Woorden doen ertoe, nu ook nog, nu meer dan ooit.
Dit halfjaarlijkse tijdschrift zal ik missen. 
Het was een plaats om nieuwe stemmen te ontdekken 
en om nieuwe scheppingen te proeven van 'gevestigde' waarden. 
Het was een plaats om de veelzijdigheid 
van de poëzie te verkennen, keer op keer. 
Het was een hulpmiddel om niet vast te lopen
in de eigen voorkeuren van stijl of thema's.

Een toepasselijk vers uit dit laatste liegende konijn,
van Ester Naomi Perquin.

EN VOOR DE LAATSTE KEER

ving ik er één. Van de honderden, dagen later,
één: jong, mager, gewoon achtergelaten,
met starre ogen waar je de zee in zag,

een witte pijl op zijn bruine kop. Smal, voorwaarts,
tussen zijn oren, een pijl die wees naar mij.
Maar natuurlijk liet hij zich niet aaien.

Als je een duinkonijn wil temmen moet je het eerst
zijn ontstaan toedienen, zei mijn oudste broer,
daarna de scherpe steken die je voelt als je
hard naar beneden rent, als je sneller
loopt dan je zelf bent.
(uit : Het Liegend Konijn, 2025, / 2, blz. 155)

donderdag 15 januari 2026

Wees alert...

 

In deze tijden worden we vanuit alle mogelijke zijden opgeroepen om alert te zijn, om op te letten en waakzaam te zijn : bij computer gebruik, op je sociale media, in het verkeer, in je buurt, bij gebruik van openbaar vervoer, tijdens je bezoek aan een café of bar of ... Altijd op je hoede zijn want overal schuilt gevaar. Zelfs als je niet thuis bent, je huis goed afschermen met camera's en slimme domotica.
Deze veiligheidsobsessie mag iets kosten, zoals blijkt uit de begrotingen van Vlaamse steden en gemeentes.
Maar dichter Roberto Juarroz vraagt zich af wat dat allemaal inhoudt, dat waakzaam zijn. Vanuit vogelperspectief en tegen de achtergrond van onze menselijke levenslopen heeft hij zo zijn bedenkingen. Hij brengt onze menselijke drang om alert te leven in relatie met een groter geheel, met andere woorden, hij relativeert.

Wij zijn wakker, maar waar?
Ook de rook is wakker,
ook de droom is wakker,
ook de dood heeft
de oogleden hoog opgetrokken,
ook de dingen
geuren naar gedachte.

De bladzijden van het boek waarin wij geschreven staan
worden door niemand omgeslagen
en zij lezen elkaar.
En het andere boek,
dat wij schrijven met een droge pen,
eindigt bij de titel,
slaapt in waar het begint.
Vagelijk met elkaar geconfronteerd
worden beide boeken uitgewist zonder dat iets ontwaakt.
Waar zijn wij wakker?
(uit: Juarroz, Roberto, Verticale poëzie. Een keuze uit Verticale poëzie I t/m XIII, vertaald door Mariolein Sabarte Belacortu. Uitg. Wagner&Van Santen, 2002, blz. 45)

dinsdag 13 januari 2026

De bekoring van de zee - meeuwen

 Samen met dichter Jan Vanmeenen wil ik mij nog even laten bekoren door de zee en het leven op en langs de kustlijn.
Vandaag wandelen we op het strand en verwonderen we ons over de meeuwen.
(eigen foto - 30 september 2020 Bredene)


STRANDWANDELING

Meeuwen spelen meeuw zoals
alleen zij dat kunnen, luchtig en licht,

of ze iets van hun vleugels willen
schudden veren ze voor ons weg.

Wij zijn te mens om te vliegen,

te zwaar voor de lucht en te moe
blijven we spoorlopend in het zand
lasvast aan onze schaduw kleven.

Golven rollen op ons aan in schoonschrift,
water blijft zich geduldig herhalen,

en nog begrijpen wij niet.
(uit: Vanmeenen, Jan, De zee is een zij, Uitg. P, Leuven, 2019, blz. 35)

Dichters scheppen soms nieuwe woorden zoals hier het woord 'lasvast' 
om uit te drukken hoe onze schaduw aan ons lijf is vast gelast. 
En het aloude menselijke verlangen naar het onmogelijke, 
het kunnen vrij worden van zwaartekracht, 
dat besloten ligt in de centrale zin van het gedicht 
en dat de observatie van de meeuwen doet kantelen 
tot een mijmering over het mens zijn : 
wij zijn te mens om te vliegen.

zondag 11 januari 2026

Sneeuw vers

 
(eigen foto - november 2025 
park Messyne Kortrijk)

De sneeuw zorgt voor mooie plaatjes,
 voor veel kinderplezier
 en voor veel gesakker en gesukkel 
bij wie moet buitenshuis moeten.
De sneeuw als zorg en als zegen 
én de singer-songwriter Conor Oberst (1980) 
inspireerden Thomas Möhlmann 
tot een bijzonder sneeuwvers, verschenen in zijn bundel 
Ik was een hond 
(uitg. Prometheus, Amsterdam, 2017,blz. 57).
De link met Oberst blijft voor mij 
een raadsel, 
maar het vers heeft 
een eigen dwingende en dringende kracht.


WE OFFEREN

We staan tot onze knieën in de sneeuw, er is geen houden
aan, onze zegeningen stapelen zich op onze schouders op

het stormt en striemt en onze voeten zijn bevroren, we
kunnen niet anders dan hoopvol omhoogkijken, alleen

van boven dwarrelen nieuwe zegeningen op ons neer, boven
de wolken lacht de maan ons uit, boven de lachende wagenzieke

maan zoeven stenen en stof onverschillig naar ons toe en van
ons af en daar omheen houden kolossale vingers ons intact

we houden handkommetjes omhoog, de sneeuw haast bij
onze navels, neem alsjeblieft nog wat van dit onmogelijke

verrukkelijke, nog wat van verrukkelijk verrottende
overschot, neem wat er is nog voor we er niet meer zijn.

vrijdag 9 januari 2026

Gedateerd - negen januari

 



De Vlaamse dichter Marleen de Crée (1941-2021) schreef een cyclus 'voor Frans Van den Bergh' met de bekende Latijnse spreuk Tempus fugit (de tijd vlucht of vliegt voorbij) als titel. De man van de Crée was directeur bij Janssen Pharmaceutica, waar Frans Van den Bergh bestuurder was tot 1981. Van den Bergh overleed in oktober 1990. Dus vermoed ik dat de cyclus is opgedragen aan deze man.
Deze gelegenheidsbundel is alleen gepubliceerd in een uitgave uit 1990 van het Poëziecentrum, Gent, met gedichten uit de periode 1969-1989 onder de titel Over de brug der aarzelingen.
De cyclus Tempus Fugit bestaat uit dertien gedichten, elke maand een, altijd gedateerd op de negende van die maand en een slotvers 'coda'.
In elk gedicht vervlecht de Crée natuurobservaties met de menselijke levensloop en het menselijke verlangen naar/tekort aan liefde en vriendschap.
Op deze negende januari is dit eerste vers van deze cyclus in de sonnetvorm. Over deze sonnetvorm zei ze ooit : "Deze dichtvorm beantwoordt aan de twee belangrijkste technische vereisten die ik mezelf stel bij het schrijven, namelijk muzikaliteit en vormdiscipline." (zie website schrijversgewijs).
(Marleen de Crée - ©Poëzie-Centraal)



NEGEN JANUARI

oud worden en zich het licht
herinneren van januari.
denken : er is niets verloren
dan deze korte afwezigheid.

het licht is grijzer dan de haren,
bomen stiller dan de tijd.
mist verzacht het zwijgen.
de kilte werd niet voorbereid.

en in de milde warmte van de kamer
sla ik het boek van jaren
open op het liefste blad.

wit staart me tegen
alsof het niets te zeggen had.
dan gaat de stilte wegen.

dinsdag 6 januari 2026

De bekoring van de zee - eb

(eigen foto Nieuwpoort 27 maart 2017)

 
Niet alleen schilders en fotografen worden bekoord door de zee;
niet alleen de kleine kinderen en hun (groot)ouders;
niet alleen dromers en durvers,
maar ook dichters...
Dichter Jan Van Meenen verzamelde 
menig zeevers in zijn bundel
De zee is een zij (Uitg. P, Leuven, 2019). 
Daaruit een vers over zee, water, 
verglijdende tijden 
en het pogen van een dichter.

'De horizon trekt het laken
alweer naar zich toe.'

EB

Dat het alweer de andere kant uit gaat,
ziltig aanzuigt, plaagziek aan je tenen trekt.

Je ademt diep en mee. Laat het weg willen
in je ontstaan.

Tijd schuift met z'n schaduwen en wij,
door lagen lucht gedragen deinen uit,

raken alweer verzoend met het papier
in onze handen, de zoemende woorden
en het licht dat langzaam
voor ons sterft.

(Van Meenen, Jan, De zee is een zij, 2019, blz. 44)

zaterdag 3 januari 2026

de bekoring van de zee

 De zee bekoort, vraag het maar aan Stephan Vanfleteren 
(zie berichten hier van 5, 7 en 9 december laatstleden).
Kijk maar mee hier aan de dijk van Mariakerke 
op 1 maart 2017.

(eigen foto)





donderdag 1 januari 2026

2026... wat zal het worden?

(Nieuwpoort 28 maart 2017 - eigen foto)
 Nieuwjaar . . .
laat ons elkaar het goede toewensen,
laat ons elkaar ons beste zelf toewensen,
laat ons elkaar elkaar toewensen...


Mijn beste wensen bij de start van een nieuw jaar,
een jaar met vele vraagtekens...
zoals ook de Indiase dichter Rabindranath Tagore
(1861-1941), Nobelprijswinnaar literatuur 1913,
schreef in een van zijn Wijzangen, wellicht zijn bekendste
gedichtenbundel.
Het leven als een vaartocht... een cliché maar
een dat nog altijd beeldkracht behoudt.

WIJ-ZANGEN
 
12

Een heerlijke zachte bries
streelt het sneeuwwitte zeil.
Nog nooit schoof een boot
zo bevallig over de stroom.
     Brengt hij kostbare schatten?
     Vanwaar is hij vertrokken?
     Mijn geest dwaalt op het strand,
     waar nog alles mogelijk is.
In de verte rolt de donder
door dichte regensluiers
en breekt het wolkendek open
voor een vluchtige zonneglimp.
     O Bootsman, wie zijt Gij?
     Brengt Gij vreugde of verdriet?
     Wat zal het worden?
     Zullen we gelukkig zijn?

(uit: De mooiste van Rabindranath Tagore. Samengebracht door Koen Stassijns en Ivo van Strijtem. uitg. Lannoo, Tielt, 1998, blz. 60, vertaling Dr. Jan Gysen)