In deze week van de poëzie breng ik elke dag niet één, maar twee dichters onder de aandacht, waarbij de ene duidelijk zijn beïnvloeding door de andere toont én zo zijn waardering en bewondering tot uiting brengt.
Een van de belangrijkste Europese dichters van het eerste kwart van de vorige eeuw werpt tot op vandaag zijn schaduw over de Westerse poëzie, Rainer Maria Rilke (1875-1926). Ook heel veel dichters uit de Nederlandstalige literatuur hebben 'iets' met deze Duitse lyricus.
In een bundel uit 2021 (Enfin, uitg. Meulenhoff, blz. 77) eindigt de Nederlandse dichter Anton Korteweg (1944) met een vers dat uitdrukkelijk naar een vers van Rilke verwijst, nl. 'Herfst'.
Hier beide na elkaar, eerst Rilke, in een vertaling van Piet Thomas.
HERFST
De blaren vallen, vallen als van ver,
als welkten in de hemel verre tuinen;
ze vallen met ontkennende gebaren.
En in de nachten valt de zware aarde
uit alle sterren in de eenzaamheid.
Wij allen vallen. Deze hand zal vallen.
En kijk je naar de andere: het is in alle.
Maar Eén is er. Hij vangt dit vallen
oneindig teder in zijn handen op.
(uit: De mooiste gedichten van Rainer Maria Rilke, uitg. Davidsfonds/Literair, 1999, blz. 79)
ZEEF DE TIJD
We tuimelen uit een ritmisch heen-en-weer
-met vaste hand of losse pols, dat maakt niet uit-
geschudde zeef in iets wat er niet is
en wat ons dus niet stuit. Als je dat al zou willen,
klauter je bij gebrek aan houvast daar niet uit.
Wie dit vooruitzicht al te zeer benauwt:
er is er een, zegt Rilke, die ons vallen
oneindig teder in zijn handen houdt.


Geen opmerkingen:
Een reactie posten