Zoals in het bericht van 6 juni laatst wordt wereldwijd door de lbgtq+ personen en hun sympathisanten geparadeerd en betoogd onder de overkoepelende benaming : Pride. Trots om de eigen manier van liefhebben te tonen en te betogen dat er niets fout is als iemand een ander iemand bemint, hoe verschillend dit ook is ten aanzien van het heterorelatiemodel.
In de loop van de geschiedenis was (en is nog altijd op vele plaatsen) er geen ruimte om lief te hebben zoals je jezelf als persoon in de wereld ontdekt. Dat voedde een soms intense subcultuur die zich meestal bewoog aan de rand van de gevestigde samenleving. Gelijkgezinden ontwikkelden codes om hun verlangen te delen met anderen en zochten naar een 'veilige' plek om samen te zijn. Dat was zo in de meeste culturen én dat is nog altijd zo, ook in vele zogenaamde moderne samenlevingen.
Vele dichters zouden hier een plek kunnen krijgen, maar ik wil hier even de Griekse dichter Konstantinos Kavafis (1863-1933) aan het woord laten. Hij leefde bijna zijn gehele leven in de Griekse kolonie in Alexandrië en leefde als bescheiden ambtenaar op een ministerie. Hij publiceerde geen enkele bundel bij leven, maar zijn liefde voor mannen vormde in zijn gedichten de rode draad.
Het verdriet dat hij niet openlijk kon leven als homoseksueel klinkt vaak door. Zoals in dit vers uit 1904 over een ontmoeting in de periode september-december 1903.
DECEMBER 1903
En als ik over mijn liefde niet kan spreken -
als ik niet praat over je haar, je lippen, je ogen,
geven toch jouw gezicht dat ik bewaar in mijn ziel,
de klank van je stem die ik bewaar in mijn geest,
de dagen van september die opdoemen in mijn dromen,
vorm en kleur aan mijn woorden en mijn zinnen,
op welk onderwerp ik ook inga, over welk denkbeeld ik ook spreek.
(uit : Kavafis, K.P., Gedichten in de vertaling van Hans Warren en Mario Molegraaf, uitg. Bert Bakker, Amsterdam, 1986, blz. 69)
Vaak via een omweg wordt zijn fascinatie voor (jonge) mannen onderwerp van een gedicht.
Zo ook in volgende vers uit dezelfde bundel (blz. 371).
DE SPIEGEL IN HET PORTAAL
In het voorname huis hing in het portaal
een zeer grote, erg oude spiegel :
minstens tachtig jaar geleden gekocht.
Een heel mooie jongen, bediende bij een kleermaker
(op zondagen amateur athleet),
stond er met een pakket. Hij overhandigde het
aan iemand uit het huis, die naar binnen ging
voor het ontvangstbewijs. De kleermakersbediende
bleef alleen, en wachtte.
Hij trad op de spiegel toe, keek naar zichzelf
en trok zijn das recht. Na vijf minuten
bracht men hem het bewijs. Hij nam het aan en vertrok.
De oude spiegel echter, die zoveel gezien had
in zijn jarenlange bestaan,
duizenden dingen en gezichten,
de oude spiegel echter was nu verheugd
en trots omdat hij enkele minuten
de ongerepte schoonheid in zich had opgenomen.

Geen opmerkingen:
Een reactie posten